Het ACOI legt met zijn advies over de Generieke Woo-voorziening de vinger op de zere plek. De overheid dreigt actieve openbaarmaking opnieuw afhankelijk te maken van een complexe centrale voorziening, terwijl juist snelheid, eenvoud en publicatie bij de bron nodig zijn. Dat maakt dit advies sterk. Het doorbreekt niet alleen een vastgelopen benadering, maar dwingt ook terug naar de kern van de opgave: openbaarmaking is geen systeemdoel, maar een maatschappelijk en bestuurlijk doel. Niet de voorziening moet centraal staan, maar het daadwerkelijk toegankelijk maken van informatie.
Een ongemakkelijke maar juiste boodschap
Met het advies over de Generieke Woo-voorziening zegt het ACOI hardop wat in de praktijk al langer zichtbaar is: actieve openbaarmaking dreigt te veel afhankelijk te worden van één centrale oplossing die eerst gerealiseerd moet zijn voordat er echt tempo gemaakt kan worden. Het college koppelt die boodschap expliciet aan de voortgang van actieve openbaarmaking en pleit ervoor te stoppen met het grote centrale zoekportaal als dominante route.
Dat is precies waarom dit advies goed is. Het benoemt niet alleen een uitvoeringsprobleem, maar corrigeert ook de redenering erachter. Een generieke voorziening kan nuttig zijn, maar zodra die voorziening de voorwaarde wordt voor voortgang, raakt het doel uit beeld. Dan gaat het gesprek al snel over techniek, koppelingen, architectuur en planning, terwijl het in essentie moet gaan over openbaarmaking, toegankelijkheid en maatschappelijke bruikbaarheid. Die conclusie is een duiding, maar wel rechtstreeks in lijn met de kern van het ACOI-advies.
Terug naar de bedoeling
De kracht van het ACOI-advies is dat het teruggaat naar de kernvraag: waar doen we dit eigenlijk voor?
De Woo is er niet om een centrale infrastructuur op te leveren. De Woo is er om overheidsinformatie toegankelijker, vindbaarder en beter beschikbaar te maken voor burgers, journalisten, onderzoekers en volksvertegenwoordigers. Dat vraagt in de eerste plaats om informatie die daadwerkelijk openbaar wordt gemaakt, op een manier die werkbaar en uitlegbaar is. Het ACOI positioneert actieve openbaarmaking expliciet als de grote belofte van de Woo.
Juist daarom is het goed dat het ACOI een structureel andere benadering in beeld brengt. Niet langer redeneren vanuit één centrale eindvoorziening, maar vanuit publicatie bij de bron, ondersteund door standaarden en slimme vormen van ontsluiting. Dat is geen versmalling van de ambitie, maar juist een terugkeer naar de bedoeling. Ook in de toelichting bij de publicatie zet het ACOI dit scherp neer met de boodschap: stop met het grote ICT-project en publiceer overheidsdocumenten direct bij de bron.
Een noodzakelijke koerscorrectie
Het advies is ook sterk omdat het dwingt om los te komen van een patroon dat binnen de overheid vaker zichtbaar is: complexe opgaven worden vertaald in complexe voorzieningen, waarna de realisatie van die voorziening zelf het dominante project wordt.
Daarmee verschuift de aandacht ongemerkt van maatschappelijke waarde naar systeemontwikkeling. Dat is risicovol. Want hoe langer organisaties moeten wachten op een generieke oplossing, hoe groter de kans dat zij in de tussentijd onvoldoende voortgang boeken in hun eigen praktijk van openbaar maken. Dat risico is extra relevant omdat al publiekelijk is gemeld dat de ontwikkeling van de generieke Woo-voorziening vertraging heeft opgelopen.
Het ACOI doorbreekt dat patroon. Het zegt in feite: organiseer de beweging zó dat organisaties nu al kunnen leveren, ook als het rijksbrede eindbeeld nog niet volledig is uitgekristalliseerd. Dat is bestuurlijk verstandig, praktisch uitvoerbaar en inhoudelijk veel zuiverder.
Dit vraagt om een andere manier van kijken
Daarmee is dit advies niet alleen een oordeel over een voorziening, maar ook een uitnodiging tot een andere manier van kijken. Minder denken vanuit centrale systeemlogica en meer vanuit verandervermogen, uitvoerbaarheid en resultaat.
Voor bestuurders, CIO’s en programmaverantwoordelijken is dat een belangrijke les. Niet de vraag “hoe sluiten we straks aan?” moet vooropstaan, maar de vraag “hoe zorgen we dat openbaarmaking nu al aantoonbaar werkt?” Dat vraagt om investeringen in informatiekwaliteit, metadata, publicatieprocessen en bestuurlijke wendbaarheid. Precies die elementen blijven waardevol, ongeacht hoe de rijksbrede inrichting zich verder ontwikkelt. Dat is geen letterlijke formulering uit het ACOI-stuk, maar wel de logische bestuurlijke consequentie ervan.
De echte opgave
Het ACOI-advies is daarom meer dan een kritisch signaal. Het is een noodzakelijke correctie op een benadering waarin het middel te veel centraal is komen te staan. En dat is winst.
Want actieve openbaarmaking wordt uiteindelijk niet geloofwaardig door nieuwe beloften over toekomstige voorzieningen, maar door zichtbare resultaten in de praktijk. Wie de kern van de opgave serieus neemt, kiest daarom niet voor verdere afhankelijkheid, maar voor een aanpak die openbaarmaking dichter bij de bron organiseert en sneller tot resultaat leidt. Dat maakt dit advies niet alleen begrijpelijk, maar ook goed.